Autisme in de DSM: stempel of niet?

Daar zit je dan. Je hebt een heel onderzoek achter de rug en de psycholoog heeft je zojuist verteld dat je autisme hebt. Misschien had je zelf al zo’n vermoeden en vallen er puzzelstukjes op z’n plek. Of misschien zag je het totaal niet aankomen en voelt het een beetje als een klap in je gezicht. Mogelijk heb je het gevoel in een hokje te worden geplaatst of een stempel opgedrukt te krijgen. Maar is dat ook zo? Waar komt die classificatie eigenlijk vandaan?

De DSM

Alle classificaties zijn terug te vinden in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, oftewel de DSM. Het soms wat mysterieuze en bijna heilige handboek van de GGZ. Dit handboek wordt gebruikt om te classificeren: het herkennen en in kaart brengen van vertoond gedrag. Het moet ervoor zorgen dat iedereen dezelfde definities hanteert voor bepaalde psychiatrische aandoeningen. Per aandoening staat omschreven aan welke kenmerken iemand moet voldoen om de classificatie te kunnen stellen. In 1952 verscheen de eerste versie en ondertussen hebben we sinds 2013 de vijfde variant in gebruik.

De classificatie autisme

Een autismespectrumstoornis – zoals dat voluit wordt genoemd – is één van de vele classificaties die in de DSM omschreven staat. In de vorige editie van de DSM werd er onderscheid gemaakt tussen verschillende subtypes, zoals een autistische stoornis, de stoornis van Asperger en PDD-NOS. Deze subtypes zijn er in de DSM 5 uitgehaald. Voor mensen die de diagnose uit de vorige DSM hebben gekregen, veranderd er niets. Deze diagnose is nog steeds geldig. Mensen die sinds 2013 gediagnosticeerd worden, krijgen de diagnose autismespectrumstoornis. Maar wat staat hier nu eigenlijk over in de DSM en wanneer mag het gesteld worden?

Iemand krijgt de classificatie autisme wanneer aan punt A tot en met punt E wordt voldaan. Vertaald in wat makkelijkere woorden, zijn de punten als volgt omschreven in de DSM:

A. Tekorten in de sociale communicatie en sociale interactie in uiteenlopende situaties, zoals actueel of in de voorgeschiedenis blijkt uit alle drie de volgende kenmerken:
1. Tekorten in de sociaal-emotionele wederkerigheid
2. Tekorten in het non verbale communicatieve gedrag dat gebruikt wordt voor sociale interactie
3. Tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van informatie

B. Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten, zoals actueel of in de voorgeschiedenis blijkt uit minstens twee van de volgende kenmerken:
1. Stereotype of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of gesproken taal
2. Hardnekkig vasthouden aan hetzelfde, inflexibel gehecht zijn aan routines of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag
3. Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal intens of gefocust zijn
4. Over- of onderreageren op zintuiglijke prikkels of ongewone belangstelling voor zintuiglijke aspecten van de omgeving

C. De verschijnselen moeten aanwezig zijn in de vroege ontwikkelingsperiode (maar kunnen soms pas volledig manifest worden wanneer de sociale eisen de begrensde vermogens overstijgen, of kunnen worden gemaskeerd door op latere leeftijd aangeleerde strategieën).

D. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.

E. De stoornissen kunnen niet beter verklaard worden door een verstandelijke beperking of globale ontwikkelingsachterstand.

Classificatie of diagnose

De termen classificatie en diagnose willen nog wel eens door elkaar gehaald worden, maar er zit een wezenlijk verschil tussen. Een classificatie is niet meer dan een naam voor een aantal gedragskenmerken die op dat moment gezien worden. Hier wordt de DSM voor gebruikt.

Belangrijker is de diagnose, waarbij het gaat om het begrijpen en verklaren van het gedrag en de klachten. De diagnose beschrijft hoe er tot de classificatie is gekomen, de ontwikkeling en het beloop van de klachten, welke factoren hier aan hebben bijgedragen, wat iemand hier in het dagelijks leven van merkt en of er een comorbiditeit (tegelijk voorkomen van meerdere aandoeningen) is met andere stoornissen. In de diagnose onderbouwt de psycholoog dus de classificatie.

Een diagnose is dan ook ontzettend persoonlijk en bij geen enkel persoon hetzelfde, in tegenstelling tot een classificatie. Als er een psychiatrische aandoening wordt vastgesteld, behoort een gedegen onderzoek zowel een classificatie als een diagnose te bevatten. De stempel die je krijgt zal dus in principe met een uitleg erbij moeten komen. Als jij die uitleg (oftewel de diagnose) nooit hebt gehad, kun je hier natuurlijk altijd naar vragen.

Hoe heb jij het krijgen van de diagnose ervaren?
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Dit artikel delen

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Meer artikelen